![]() |
Miniatuur Trawler Spaniel |
|
Hij wordt niet erkend door de F.C.I. |
Land van oorsprong |
Verenigd Koninkrijk | |
Vertaling |
Francis Vandersteen | |
En français, cette race se dit |
![]() |
Epagneul Miniature Trawler |
In English, this breed is said |
![]() |
Toy Trawler Spaniel |
Auf Deutsch, heißt diese Rasse |
![]() |
Miniatur-Trawler-Spaniel |
En español, esta raza se dice |
![]() |
Spaniel de Trawler en miniatura |
|
De Toy Trawler Spaniel is een uitgestorven spanielras dat qua uiterlijk leek op de 16e-eeuwse King Charles Spaniel. Men neemt aan dat het ras afstamt van de oorspronkelijke King Charles Spaniel en een oude variant van de Sussex Spaniel. Hoewel het ras aanvankelijk als jachthond werd gebruikt, fungeerde het later vooral als gezelschapshond en showhond. Rond 1920 stond het ras op het punt van uitsterven. Een opgezet exemplaar bevindt zich in het Natural History Museum in Tring. De exacte oorsprong van het ras is onbekend, maar in 1919 werd aangenomen dat het afstamde van de oorspronkelijke King Charles Spaniel met krulvacht en de oude Sussex Spaniel-variant met krulvacht. Hoewel het ras oorspronkelijk wellicht als jachthond diende, werd het vaker als gezelschapshond gehouden. In 1907 was het ras populairder op het Europese vasteland dan in het Verenigd Koninkrijk, met name in Nederland en Italië. Een opgezet exemplaar bevindt zich in het Natural History Museum in Tring. Dit exemplaar, genaamd Robin, werd gefokt door Lady Wentworth en in 1911 geboren. De hond stierf in 1920, in een periode waarin het ras als "bijna uitgestorven" werd omschreven. De Toy Trawler Spaniel werd beschouwd als een terugkeer naar het oorspronkelijke type van de King Charles Spaniel. De hond had een kleine, lichte kop met een korte, zwarte neus die aan de punt iets omhoog wipte. De schedel was vlak, zonder koepelvorm, en de lange oren waren hoog en ver naar voren geplaatst. De vacht vertoonde doorgaans vrij lange bevedering en werd omschreven als krullend maar niet wollig; het lichaam was vrij stevig gebouwd. De grootte varieerde van 28 tot 33 cm schofthoogte – al werden er ook exemplaren van slechts 23 cm gemeld – bij een gewicht van 6,8 kg voor een hond van 33 cm. De voorkeur ging uit naar een zwarte vacht met een witte borstvlek, gevolgd door rood met een witte borstvlek, al kwamen ook zwart-witte en rood-witte varianten voor. Deze honden werden omschreven als zeer zachtaardig, maar tegelijkertijd zeer moedig en onbevreesd; verlegenheid gold als een fout tijdens exterieurkeuringen. |









Nederlands (nl-NL)
Reacties / Beoordelingen